Het is vroeg in de ochtend, nog donker op straat, het vriest net wel of net niet. De man staat met zijn armen over elkaar in de deuropening van het rijtjeshuis. Hij is een stevige man van middelbare leeftijd, enigszins gespierd en met een beginnend buikje. Bewegingloos staart hij naar de fietsenstalling zo’n twee meter verderop. Of nee, niet toch niet helemaal bewegingloos… wie goed kijkt ziet dat in zijn mondhoek een verhulde glimlach trilt.
In de fietsenstalling staan de fietsen keurig in een rijtje, alleen die uiterst rechts staat scheef en half in het rek. Het is een zwarte fiets, zo’ n stevige met een krat voorop waar je zware dingen in kunt gooien zonder dat het schade aanricht. Naast die fiets staat waarschijnlijk een puber, hoewel zijn uiterlijk niet echt zichtbaar is door het zwarte jack met de zwarte hoodie die over zijn hoofd is getrokken.

Misschien is staan ook wel teveel gezegd, accurater is dat hij half over de fiets heen hangt. Met een diepe zucht smijt hij in een zwaai de rugzak van zijn schouder in het fietskrat. Terwijl hij zijn fiets uit de fietsenstalling trekt en net voorkomt dat hij de fiets ernaast meetrekt, draait hij zich half om en mompelt iets wat waarschijnlijk op een groet moet lijken tegen de man in de deuropening. Zonder verder op of om te kijken fietst hij over de stoep weg in een houding die nonchalant moet lijken.
De man in de deuropening glimlacht nu openlijk terwijl hij de puber nakijkt. “Jij ook een fijne dag, jongen”. Zacht trekt hij de deur dicht.
Het ochtendritueel is weer gelukt.
*Gebaseerd op een conversatie op straat in Den Haag

Plaats een reactie